zaterdag 9 augustus 2014

"Faranji! Hey you, faranji!"

Zondag was een rustige dag. We hebben lang geslapen, ik heb proberen te ontcijferen hoe al mijn apparatuur werkt, Blake heeft wat halfslachtige pogingen gedaan om in zijn enorme boek over ‘Ecological Modelling’ te lezen en Jeroen trachtte het programma te leren kennen waarmee hij zijn questionnaires voor zijn onderzoek moet ingeven. Rond 15u besloten we dat het tijd was voor wat actie en trokken we naar de stad. Na de bewolking en dus de vrij gematigde temperaturen van vrijdag en zaterdag, kon ik op dat moment het Ethiopische klimaat in al zijn glorie ontdekken. Al snel voelde ik me alsof ik in dagen niet meer gedronken had en ik de Mount Everest in de woestijn aan het beklimmen was. Ik heb de temperatuur toen niet gemeten, maar een dag later was het voor mijn deur 34,1°C. Blake vindt het wel best, want het klimaat is hier blijkbaar gelijkaardig aan dat van Miami, en Jeroen houdt gewoon van hoge temperaturen. Maar voor mij is het toch een kleine marteling, en ik vermoed dat het wel eens één van mijn grootste aanpassingsproblemen kan worden. Ik hoop dat het toch enigszins went. Gelukkig is het in mijn kamer best goed te doen, zo’n 25°C en er is een ventilator. ’s Avonds koelt het wel af, maar het wordt nooit echt fris. Genaye vertelde me dat de temperatuur doorheen het jaar op wat kleine variaties na eigenlijk de hele tijd hetzelfde blijft. Na ongeveer anderhalf uur in de stad rondgelopen te hebben en een slok water me het toppunt van geluk leek, besloten we iets te gaan drinken. Daarna begon het.

Toen we op zoek waren naar een emmer (omdat Blake en Jeroen geen stromend water hebben en dit probleem waarschijnlijk redelijk permanent is), vroeg een local of hij ons moest helpen. Aangezien er waarschijnlijk maar één winkel met emmers te vinden was in deze 73.000 (in 2005, bron: wikipedia) inwoners tellende stad, besloten we zijn hulp te aanvaarden. Helaas kregen we voor de prijs van deze behulpzame man er ook een 15-tal kinderen bij die ons de hele wandeling vergezeld hebben. In het begin leerden ze ons hun namen en een beetje Amhaars en was alles koek en ei, maar na een tijdje begonnen ze te bedelen voor schoenen (enkelen hadden blote voeten), voedsel en geld. Het bracht mij in een enorme tweestrijd: natuurlijk wil je deze kinderen graag helpen en een paar slippers of een banaan kan er best wel af, maar anderzijds zou de groep zich dan wellicht snel uitbreiden tot honderden kinderen en wie weet verspreidde het nieuws van de gulle toeristen zich dan wel als een lopend vuurtje waardoor we het de komende maanden zitten hadden. Met een schuldbewuste houding weigerde ik dan maar elke financiële hulp, maar probeerde wel zo vriendelijk mogelijk te zijn. Uiteindelijk vonden we een emmer en konden we de kinderen afschudden voor de ingang van het restaurant van het tourist hotel, waar we die avond zouden eten. Mocht ik niet enkel een briefje van 100 birr (= 4 euro) gehad hebben, had ik hun wellicht wel iets gegeven. Helaas zat er nu niets anders op dan met een rotgevoel het restaurant binnen te stappen en de plakkerige handjes van ons lichaam af te wassen. Wel bleek het handjes houden met kinderen de weg naar acceptatie bij de volwassenen. Opeens keken ze ons bijna allemaal aan met een stralende blik en vroegen sommigen zelfs bezorgd of we het niet vervelend vonden dat die kinderen ons meesleurden. Als we dan volmondig nee antwoordden, werd hun lach zo mogelijk nog groter en voelde ik me voor de eerste keer best welkom.

Hun relatie met dieren hier is zoals je kan verwachten in Afrika, maar toch erg confronterend. De apen en katten leven hier over het algemeen in een soort co-existentie met de mensen. De drie soorten negeren elkaar en leven langs elkaar door (behalve bij een directe confrontatie dan). In het restaurant bedelen de katten, maar rennen verschrikt weg als je ze aan wil raken. Ik weet niet of dit is omdat ze geen fysiek contact met mensen gewend zijn, of omdat een naderende hand meestal een duw of een slag betekent. De koeien worden meestal begeleid door mensen, maar lopen ook vaak op hun eentje door de stad. Ze zijn uitgemergeld, maar zien er voor de rest niet echt ongezond uit.  De ezels worden gebruikt als lastdier en moeten karren trekken met daarop meestal een aantal mensen en een vracht. De kinderen lopen meestal langs de ezel om het te besturen. Daarbij slaan ze het dier vrijwel onophoudelijk met een stok zonder enige reden (de ezels reageren er ook niet meer op), waarschijnlijk gewoon omdat iedereen het zo doet. Zondag zag ik een ezel die in de brandende zon een zware vracht moest trekken en hevig balkend letterlijk door zijn poten zakte. De oplossing daarvoor is harder slaan. De geiten staan meestal in de berm van de weg. Dezelfde dag observeerde ik vol ongeloof een man die er niet beter op gevonden had dan een geit mee te sleuren door een touw rond zijn linkervoorpoot te binden. Het dier hinkte zich een ongeluk, struikelde regelmatig op de ongelijke weg en moest alle zeilen bijzetten om het tempo van de man te kunnen aanhouden. Honden heb ik tot nu toe 2 keer gezien. De eerste keer werd ie achternagezeten door een bende kinderen en sloeg met de oren in de nek op de vlucht, de tweede keer lagen 2 honden in de schaduw van een vrachtwagen op de stoep. Één van die honden lag er zo te zien te sterven, waarschijnlijk ten gevolge van een vleeswond in zijn achterpoot in combinatie met uithongering/uitdroging en de hitte. We passeerden de honden op het moment dat we vergezeld werden door de kinderen. Zij vonden het blijkbaar onrespectvol dat een stervende hond zomaar onze weg blokkeerde op de stoep en schopten hem aan de kant.  De gelaatsuitdrukking van die hond staat nog steeds op mijn netvlies gebrand, afgemat tot op het bot in een wereld die niets om hem geeft. Het zijn stuk voor stuk schrijnende taferelen die mijn hart breken. Instinctief zou ik elk dier willen knuffelen en zorgen dat het eten en drinken krijgt en nooit meer moet lijden. Maar dat kan niet. Zelfs een aanraking zou waarschijnlijk alleen maar voor meer stress zorgen. Mij bekommeren om de dieren terwijl ik de mensen niet help zou ongetwijfeld in slechte aarde vallen. Ik kan alleen maar lijdzaam toekijken en proberen mijn schuldgevoel weg te drukken.

Maandagochtend werden wij en onze projecten voorgesteld aan de rector, dr. Feleke Woldeyes. Het is een erg zachtaardige en toegankelijke man. Daarna hadden we een meeting met Simon en Genaye om een aantal algemene zaken te bespreken. In de namiddag gingen we naar het park waar we veldwerk voor ons onderzoek zullen moeten doen om het hoofd, dr. Abraham nogiets, te ontmoeten en door hem uitleg te krijgen over de geschiedenis, problemen, uitdagingen en doelen van het park. Daarna kregen we een maaltijd aangeboden: rauw ossenvlees met een chilisausje en injera (de traditionele pannenkoek) vergezeld door iets wat zij hun bier noemen, maar eigenlijk niet echt als bier smaakt. Naast hop zit er voornamelijk honing in en geen prik. Doodsbang voor ziektes en parasieten begonnen we uit beleefdheid aan het vlees. Het bleek best lekker te zijn, maar ik bleef er niet helemaal gerust in. Als we even een minuutje pauze namen, kregen we de vraag of we het niet lekker vonden en werden we aangemoedigd om verder te eten en drinken. Dat resulteerde erin dat we dan maar veel slokjes begonnen te nemen om het te laten lijken alsof we voortdurend bezig waren. Helaas vulden ze onze bekers ook bij zonder iets te vragen en voelden we na een tijdje dat er iets niet pluis was. Ik vroeg aan Simon hoeveel alcohol er in de drank zat, maar volgens hem kon het ‘maar maximum 15% of zo zijn hoor’. Mystery solved. Na de zeer sterkte typische Ethiopische koffie vertrokken we – lichtjes vrolijker dan anders – naar de stad om een pasfoto voor Blake te laten maken voor op zijn studentenkaart en een muskietennet te kopen. Je vindt hier alles wel, maar het probleem is dat je onmogelijk alleen uit kan zoeken waar wat te koop is. Alle winkeltjes/kraampjes zien er hetzelfde uit de meeste dingen die ze verkopen zijn ergens weggemoffeld en dus niet meteen zichtbaar.

Toen we maandagavond rond half 8 terug naar de campus gingen, werden we plots tegenhouden door de bewakers aan de ingang. Aangezien Blake en ik nog geen studentenkaart hadden, was het tot hiertoe steeds voldoende als Jeroen die van hem toonde. Het probleem is dat er elke avond nieuwe mensen staan en je dus elke avond opnieuw moet uitleggen wie je bent. Helaas had de beste man nog nooit zo’n tijdelijke studentenkaart gezien en vertrouwde hij het zaakje niet. Het was blijkbaar één van de enige mensen op de campus die die vreemde blanken nog nooit had gezien. Ik vraag mij af waarom 3 blanken in godsnaam ‘s avonds binnen zouden willen op die campus als ze er niet wonen, maar goed. Hij snapte de rol van Jeroen nog enigszins, maar wie was ik dan? Jeroen zijn vrouw misschien? En wat deed Blake er dan bij? Hij begreep er niets van. Na minstens 20 tot 30 minuten onderhandelen en wachten, besloot hij dat iemand (in legeroutfit en vergezeld van een geweer) ons moest begeleiden tot aan onze kamers en dan zouden we wel verder zien. Eenmaal daar aangekomen was het niet voldoende om te zien dat we de deur konden openen met onze sleutel, maar moesten we ook nog onze uitnodigingsbrief van de universiteit en ons paspoort voorleggen. Argwanend inspecteerde hij de kamer nog om tenslotte met veel tegenzin te zeggen dat het in orde was. Vreemde mensen, die Ethiopiërs.

Tegen dinsdag moesten we een concrete planning maken over hoe we ons project aan wilden pakken. Simon vond alles wat we zeiden wel goed en nuttig, maar de ‘practicalities’ vormden toch wel problemen, zoals verwacht. Hij zou zien wat hij kon doen en hoopte dan maandag echt te kunnen beginnen. Het zijn eigenlijk dingen die je vooraf hoopt te kunnen regelen zodat je niet anderhalve week zit te niksen terwijl je weet dat het moeilijk zal zijn om voldoende data te verzamelen. Maar ja, this is Africa. Na de meeting gingen we even naar Simon zijn bureau (dat er verbazingwekkend goed uitzag in vergelijking met de rest van de stad) zodat we wisten waar we hem konden vinden als we hem nodig hadden. Daarna trokken we naar de paradise lodge, het meest luxueuze hotel in de stad waar je tevens een schitterend uitzicht over het park hebt.
 
De dagen daarna zijn niet echt vermeldenswaardig, maar vrijdagochtend werd ik opeens uit mijn bed gebeld door Simon, of ik om 10:30u op zijn bureau kon zijn. Het was de eerste keer dat ik in mijn eentje de campus verliet. Al snel stopte er een taxi (zo’n tuktuk zoals ze in Azië heten, geen idee men ze hier noemt) en informeerde ik of hij me naar de medical campus kon brengen. Vijf minuten en 3 gesprekken met voorbijgangers later vroeg hij of ik misschien de Nech Sar campus bedoelde. Ik had absoluut geen idee wat de naam van de campus was maar ik had er wel al eens van gehoord dus bevestigde ik dat maar. Wonder boven wonder herkende ik na een tweetal keer verkeerd te zijn gereden inderdaad de juiste plaats en betaalde hem zoals gewoonlijk waarschijnlijk weer eens veel te veel. Eenmaal daar aangekomen besprak ik met Simon de data sheets die ik op voorhand gemaakt had en de precieze planning die we willen volgen en leek hij al veel positiever. Na een half uurtje wachten kwam ook Bayisa aan, een jongen die werkt in het park en die mij zal begeleiden tijdens mijn onderzoek. Ook aan hem moest dus alles uitgelegd worden. Na de meeting vertrok ik met Bayisa naar Sikela, één van de 2 grote wijken in de stad. Hij stond erop om mij te trakteren op lunch. Wetende dat er in de die restaurantjes enkel injera te krijgen zou zijn, probeerde ik zijn aanbod nog vriendelijk af te slaan maar er was geen ontkomen aan. Het blijkt dat injera toch wel smakelijker wordt naarmate je het meer gaat eten. Bovendien werd er opvallend minder gestaard en geschreeuwd toen ik in zijn gezelschap was.


’s Avonds verlieten we de campus weer om te gaan eten. Zoals gewoonlijk konden we geen 2 meter lopen zonder dat er ‘Faranji! Hey you, Faranji!’ (letterlijk ‘vreemdeling’, niet negatief bedoeld maar wel ontzettend vermoeiend na een tijdje) geroepen werd en er langs alle kanten wijsvingers onze kant uitstaken met bijbehorend gelach en geschreeuw. Meestal reageren we er maar op door een beetje te lachen en eventueel een groet te zeggen als zij dat doen, maar op een gegeven moment wordt het gewoon te veel. Vrijdagavond was zo’n moment. Mensen die met open mond naar je staan te staren, vrouwen die giechelen, mannen die dingen roepen, kinderen die je achtervolgen, taxi’s die voortdurend stoppen en je willen overhalen om met hen mee te gaan, mensen die wijzen, schreeuwen, fluisteren, lachen. En dat niet eenmalig, maar voortdurend, bij vrijwel elke voorbijganger, in een stad waar zoveel mensen rondlopen als mieren in een mierennest. Inwendig kan je alleen maar denken ‘laat me nu toch eens met rust!’, maar we kunnen er maar beter aan wennen als we hier nog 10 weken zitten. Ons kleine groepje heeft ook wel de slechtst mogelijke samenstelling. Blijkbaar trekken vrouwen altijd meer aandacht en ik ben ervan overtuigd dat Jeroen zijn blonde haar ook de nodige reacties uitlokt. Bovendien loop ik hier als enige meisje met 2 jongens rond, wat ook veel onbegrip oplevert. Ik woon dan ook nog eens bijna op hun kamer. Vandaag vroeg mijn buurmeisje me of ik getrouwd was, waarop ik uiteraard ‘nee’ antwoordde. Even later in het gesprek vroeg ze me met wie ik dan hier was, dus zei ik dat ik hier ben met 2 jongens die ook onderzoek doen in het park. Het arme meisje was helemaal de kluts kwijt geloof ik. 

Veel aspecten klinken misschien behoorlijk negatief voor een Europees ingesteld persoon, maar al bij al vind ik het geweldig hier. De typische sfeer die je enkel in Afrika vindt, de prachtige natuur, de ongelooflijke ervaring. Zien dat er een levensstijl bestaat die in onnoemelijk veel aspecten verschilt van de onze. De vervallen kamers en het gebrek aan stromend water dragen alleen maar bij aan de authenticiteit van ons verblijf hier. Het gaat niet om de teleurstelling bij het tevergeefs openen van een kraan, maar om het dolblij zijn bij een zien van een straal water. 

zaterdag 2 augustus 2014

De eerste dagen...

Ondertussen zit ik op mijn nieuwe kamertje voor de komende 3 maanden, maar laat ik eerst eens bij het begin beginnen. Mijn eerste kennismaking met Ethiopië was toen ik naar de ambassade in Brussel ging voor mijn visum. Nu ja, de eerste keer dat ik die trip van 2 en een half uur reizen ondernam, hing er een briefje op de deur dat de ambassade uitzonderlijk gesloten was die dag. Misschien was dat wel de beste kennismaking die ik kon hebben. De 2e poging was wel succesvol. Het gebouw zat vol ernstige mannen in kostuum die hun taak duidelijk serieus namen. Met een brede glimlach stelde ik mijn vraag. Zonder antwoord te geven en met een doodserieuze blik nam de man mijn documenten aan en verdween. Vijf minuten later verscheen hij weer, gaf me alles terug en rekende af. Ook nu mislukten mijn pogingen om hem tot een glimlach te verleiden. Het gaf me een erg ongemakkelijk gevoel , alsof ik iets mis deed, maar ik vermoed dat het gewoon een deel is van de professionaliteit is die ze willen uitstralen. Het gaf me in elk geval niet het warme gevoel waar Ethiopiërs bekend om zouden staan.

Donderdag was het dan eindelijk zo ver, ik vertrok naar Arba Minch! Bij aankomst aan gate B07 ontmoette ik Blake, een Amerikaan die zijn bachelor heeft gedaan aan de universiteit van Miami en nu bezig is aan zijn master biologie aan de universiteit van Antwerpen. Hij zou ook gedurende 2 maanden onderzoek doen aan Arba Minch University. Hij wist te vertellen dat onze vlucht al minstens een uur vertraging zou hebben. Uiteindelijk stegen we anderhalf uur later dan gepland dan toch op. Aan mijn rechterkant zat een Arabier die voortdurend gebeden aan het prevelen of aan het zingen was en die erin slaagde om vrijwel alle overbodige onderdelen van zijn maaltijd op mij terecht te laten komen. Met mijn andere buurman raakte ik aan de praat nadat ik hem mijn maaltijd, de laatste portie kip, aanbood omdat hij geen rundvlees lustte.  Het bleek een Italiaan te zijn die Alessandro heette en die ongeveer overal ter wereld gewoond, gewerkt of gereisd heeft. Momenteel verbleef hij al 2 jaar in Brussel. Het was een zeer intrigerende man waarmee ik de resterende 3 en een half uur dan ook een heel boeiend gesprek gehad heb. De tijd vloog dus om. Helaas hadden we door de vertraging maar een half uur om onze tweede vlucht te halen,  maar aangezien dit ook een vliegtuig van Egypt Air betrof en velen die overstap moesten maken, werd er op ons gewacht en alle bagage nog ingeladen. Omdat het vliegtuig niet volledig vol zat, had ik meer ruimte en kon ik wat slapen. Ook deze landing werd ingezet voordat ik het wist. Omstreeks 4u ’s nachts plaatselijke tijd zetten we voet op Ethiopische bodem!

Daar konden we onze euro’s wisselen voor birrs in een sjofel exchange office. Een heel formulier met onze gegevens moest worden ingevuld voordat tot deze transactie kon worden overgegaan. Eens we in de juiste terminal voor onze binnenlandse vlucht waren, konden we onze bagage gelukkig alweer kwijt. Het lange wachten kon beginnen. Al snel konden we een ligstoeltje bemachtigen en slaagden we erin om een beetje te slapen. Ook kon ik mijn eerste indrukken van Ethiopië opdoen. Opvallend was dat ook hier niemand naar ons lachte, behalve de kinderen. Zelfs als je lachte naar het personeel bleven ze je met dezelfde uitdrukkingsloze blik aanstaren. Een tweede punt dat mijn aandacht trok, was dat de mannen en vrouwen apart zaten. De mannen groepeerden zich min of meer, terwijl de meeste vrouwen een individueel plaatsje met hun kroost zochten. Daardoor ontstonden er  gescheiden zones voor beide geslachten. Dit waren over het algemeen vrouwen met burka’s of hoofddoeken. Naarmate de nacht vorderde kwam er meer volk en waren er ook vele modern geklede vrouwen met schaars geklede tienerdochters. Daar keek niemand van op. Om 15:10u – met enige vertraging uiteraard – arriveerde ons vliegtuigje en konden we vertrekken. Door de vele regen stond de startbaan letterlijk onder water en in combinatie met de geringe omvang en de staat van het kleine vliegtuigje gaf dit ons niet al te veel vertrouwen. Toen de piloot ook nog eens waarschuwde voor een ‘bumpy flight’ door het noodweer, zakte de moed ons al helemaal in de schoenen. Uiteindelijk viel het allemaal best mee en zijn we na een tussenstop in Jimma op onze eindbestemming geraakt: Arba Minch!

Daar stond onze chauffeur, John, ons al op te wachten. Na een warm onthaal slaagde hij erin om alle mensen, koeien, geiten, ezels en alle mogelijke vervoersmiddelen op de weg te ontwijken en bracht hij ons naar ons verblijf op de universiteitscampus. Enthousiast liet hij mijn kamer zien. Vol trots vertelde hij wat een geweldige kamer het wel niet was en toonde hij dat alles werkte: het water, de elektriciteit en de ventilator. Alle basisvoorzieningen waren inderdaad aanwezig, maar toch was ik niet helemaal voorbereid op wat ik te zien kreeg. Het gebouw is, gezien door mijn Belgische ogen, ontzettend vervallen. Vrijwel alles is vies en kapot. Mijn frigo is de woonplaats van een nest oorwormen, en de mieren hebben hun huisje gevonden in de badkamer. De kakkerlakken en muggen zitten zo’n beetje overal. Het water heeft overigens niet lang gewerkt, van gisteravond tot enkele uren geleden had ik al meteen geen stromend water. In de kamer zelf is ook geen raam, dus het is behoorlijk deprimerend om hier lange tijd te zitten.  Blake zijn kamer bevindt zich op de bovenste verdieping van de blok naast de mijne. Hij heeft samen met Jeroen, een student van de KU Leuven die sinds een week in Arba Minch verblijft, ook een living ter beschikking. Ik besluit al snel dat dat ook mijn voornaamste leefzone zal worden. Samen met John gaan we na het bezichtigen van de kamers naar de stad om de belangrijkste dingen te kopen: beddengoed, water en wc-papier. Daarna gaan we iets drinken in een plaatselijke bar om vervolgens samen te komen in het restaurant van een hotel  met Simon, een doctoraatsstudent en tevens mijn lokale promotor, en Genaye, een ontzettend lief meisje dat ook op de campus leeft en meteen aanbiedt om haar nummer te geven zodat we met al onze vragen en problemen bij haar terecht kunnen. We besluiten om ons helemaal in de cultuur onder te dompelen en bestellen het nationale gerecht: injera. Een soort zure pannenkoek die gebruikt wordt om de overige ingrediënten (ondefinieerbaar vlees, kool, allerlei sausjes en groenten,…) vast te nemen en zo op te eten. Mijn smaakpapillen moeten toch nog even wennen aan deze vreemde smaken, om het eufemistisch uit te drukken.

Deze morgen kwam John ons weer halen om een simkaart te kopen. Om daar binnen te geraken moesten we eerst gefouilleerd worden (of ja, John en Jeroen dan toch, de vrouwen vertrouwen ze blijkbaar) en voordat ik mijn simkaart kon krijgen moest ik een pasfoto en een kopie van mijn paspoort geven en een heel formulier met mijn persoonlijke gegevens invullen. Elke simpele handeling of aankoop gebeurt hier vreselijk omslachtig. ’s Middags hebben we het er op gewaagd om naar een lokaal restaurantje te gaan, helaas hadden ze daar enkel injera. Deze avond is het dus toch maar weer iets niet-tradioneel Ethiopisch geworden: gefrituurde vis met brood. Er leven ook een hele hoop bavianen rond mijn gebouw, vooral het alfa mannetje is erg impressionant. Regelmatig liggen ze in de clinch met elkaar of met de katten, wat erg entertainende en luidruchtige taferelen oplevert. De mensen hier lijken niet allemaal even opgezet met onze komst. De kinderen en jongeren zijn vooral nieuwsgierig en willen met ons praten en een hand geven, of wijzen naar ons terwijl ze praten en giechelen, maar de ouderen werpen vaak een nogal afkeurende blik. Er zijn in elk geval weinig hoofden die niet onze richting uitdraaien als we langs komen gewandeld, maar we zijn dan ook de enige 3 blanken op de campus. Het geeft ons een erg ongemakkelijk gevoel, ik ben blij dat ik niet de enige buitenlandse student bent. Ondertussen lijkt het wel alsof ze al een beetje aan ons gewend zijn, ofwel zijn we al een beetje immuun geworden voor hun starende blikken.

Morgen zullen we nog een dagje relaxen en de campus en de stad verkennen, maar maandag begint het echte werk. Dan zal ik samen zitten met Simon om het verloop van mijn onderzoek te bespreken en zal ik een rondleiding door het park krijgen. Ik kan al niet wachten!

Mijn slaapkamer

Keuken

De geweldig uitnodigende douche... :(

Badkamer

Uitzicht vanuit Blake en Jeroen hun balkon

Uitzicht vanuit Blake en Jeroen hun balkon

Uitzicht vanuit Blake en Jeroen hun balkon